Melk moest snel bij de klant zijn
Verse melk is beperkt houdbaar. In een tijd zonder koelkasten en gekoeld vervoer moest zij snel van de boerderij naar de stad en daarna zo vlug mogelijk worden opgedronken.
De boer kwam naar de stad
Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw nam de melkbezorging sterk toe. Steden groeiden en steeds meer mensen woonden ver van de boerderijen waar de melk vandaan kwam. Boeren, handelaren en melkslijters brachten de melk daarom naar hun klanten.
Dat gebeurde aanvankelijk met handkarren, hondenkarren, transportfietsen en paard-en-wagens. Amsterdam kreeg een deel van zijn melk zelfs per melkschuit aangevoerd uit Waterland. Eenmaal in de stad werd de melk over kleinere karren verdeeld en huis aan huis verkocht.
De naam melkboer bleef bestaan, ook toen de bezorger meestal geen boer meer was. Officieel heette hij vaak melkventer of melkslijter.
Met de kan naar de melkbus
De vroege melkboer verkocht zijn melk los. Op zijn kar stonden grote metalen melkbussen. De klant kwam naar buiten met een eigen kan, pan of emmer. Met een maatbeker schepte of tapte de melkboer een halve of hele liter uit de bus.
Dat ging anders dan in een moderne winkel. De melk kwam in aanraking met de buitenlucht en de gebruikte kannen waren niet altijd even schoon. Bovendien werd melk soms verdund met water of op een andere manier vervalst. Vooral in de snelgroeiende steden ontstond behoefte aan betere controle.
Aan het einde van de negentiende eeuw verschenen daarom melkinrichtingen en zuivelfabrieken. Zij verwerkten, controleerden en distribueerden melk op grotere schaal. Pasteurisatie, standaardisering en strengere voorschriften maakten het product veiliger. De melkboer veranderde langzaam van een handelaar met eigen melk in een bezorger van producten uit de zuivelfabriek.
De glazen melkfles
In de twintigste eeuw werd de glazen melkfles het vertrouwde gezicht van de melkbezorging. De flessen stonden in metalen kratten op de wagen. Ze waren afgesloten met een dop van aluminiumfolie. Aan de kleur van de dop kon de klant vaak zien wat erin zat: melk, karnemelk, yoghurt of vla.
Wie niet thuis was, zette de lege flessen buiten. Soms zat er een briefje bij met de nieuwe bestelling. De melkboer nam het lege glas mee en plaatste de volle flessen bij de deur. Het statiegeld werd bijgehouden of met de volgende rekening verrekend.
Kinderen streken de gekleurde aluminium doppen glad en gebruikten ze bij het knutselen of als versiering tussen de spaken van hun fiets.
Een winkel die langskwam
De melkboer verkocht al snel veel meer dan gewone melk. Op zijn wagen stonden ook flessen pap, chocolademelk, yoghurt, slagroom en verschillende soorten vla. Vaak had hij boter, margarine, kaas en eieren bij zich. De klant rekende direct af of liet het bedrag opschrijven.
De melkboer had een vaste route en kende zijn klanten vaak jarenlang. Hij maakte een praatje, wist wie er ziek was en merkte het wanneer een vaste klant niet opendeed. Voor ouderen en mensen die weinig buiten kwamen, was zijn bezoek soms een belangrijk moment van de dag.
Achter dat vriendelijke beeld zat zwaar werk. De melkboer begon vroeg, werkte in weer en wind en tilde voortdurend kratten vol glazen flessen. Ook het schoonmaken, laden, lossen, afrekenen en bijhouden van bestellingen kostte veel tijd.