Een rijdende brandstoffenwinkel
De melkboer bracht melk en de bakker brood. De petroleumboer leverde iets wat minstens zo onmisbaar was: energie voor lamp, fornuis en kachel.
Olieboer, olieman of petroleumventer
Met een handkar, hondenkar, paard-en-wagen en later soms een kleine vrachtauto trok hij langs zijn vaste klanten. Op de wagen stonden vaten of grote blikken met petroleum. De naam petroleumboer was vertrouwd, maar met een boerderij had het beroep weinig te maken. Ook de benamingen olieman, olieboer en petroleumventer kwamen voor.
Sommige petroleumboeren werkten zelfstandig. Andere reden voor een oliemaatschappij of plaatselijke brandstoffenhandel. Vaak verkochten ze daarnaast kolen, briketten en smeerolie, en later ook flessengas.
Met het blik naar buiten
De venter kondigde zijn komst soms aan met een bel, roep of claxon. Bewoners kwamen met hun petroleumkan naar buiten of hadden die alvast bij de deur gezet. De verkoper tapte de gewenste hoeveelheid af en rekende meestal direct af.
Brandstof werd niet altijd voor maanden tegelijk ingeslagen. Een klant kocht een paar liter, afhankelijk van wat die week nodig was en hoeveel geld er beschikbaar was. Vierliterblikken waren lange tijd gebruikelijk. Na de Tweede Wereldoorlog verschenen ook stevige, afsluitbare jerrycans die geallieerde legers hadden achtergelaten.
Een paar gemorste druppels waren genoeg om handen, kleding, hout en vloeren langdurig naar petroleum te laten ruiken. Bij sommige petroleumventers rook zelfs het hele erf naar olie.
Van petroleumlamp tot oliestel
Het gebruik van aardolie in Nederland begon in 1862, toen het eerste vat uit de Verenigde Staten in Rotterdam arriveerde. Waarschijnlijk bevatte het kerosine voor verlichting. De petroleumlamp bood veel gezinnen een betaalbaar alternatief voor kaarsen en oudere olielampen.
Toen elektriciteit zich uitbreidde, verloor petroleum geleidelijk zijn rol als lichtbron. Voor koken en verwarmen bleef de brandstof nog lang belangrijk. Het petroleumstel, ook wel oliestel genoemd, stond in talloze keukens en bijkeukens.
In het reservoir hing een katoenen pit die de petroleum opzoog. Door de pit hoger of lager te draaien, werd de vlam geregeld. Het stel was bijzonder geschikt voor soep, pap, hachee en draadjesvlees: gerechten die urenlang zachtjes mochten sudderen. Ook water voor koffie, thee, de afwas of de wasketel kon erop worden verwarmd.
Niet zonder nadelen
Een petroleumstel vroeg geduld. De vlam gaf minder directe hitte dan een modern gasfornuis en moest goed worden afgesteld. Stond de pit te hoog of was hij vervuild, dan ging het toestel walmen en konden de pannen zwart worden.
Ook petroleumkachels waren populair. Ze boden warmte in kamers zonder gasaansluiting, maar oude modellen waren niet altijd veilig. Omvallen, lekkage en gebruik in een slecht geventileerde ruimte konden gevaar opleveren.