Aan de deur

De
petroleumboer

Voor licht, warmte en een pan op het vuur was brandstof nodig. De petroleumboer bracht die met zijn oliekar tot voor de deur — en liet een geur achter die niemand vergat.

Lees het verhaal
Petroleumhandelaar Jos Louwen staat met zijn rode Esso-oliekar in de Voorstraat in Spijkenisse
Petroleumhandelaar Jos Louwen met zijn Esso-oliekar in Spijkenisse, 1968. Foto: Cor Koornneef, via Wikimedia Commons · CC BY-SA 4.0.

Koken op een katoenen pit

Roodbruin geëmailleerd petroleumstel van het merk Haller op een gietijzeren onderstel
Petroleumstel van het merk Haller, circa 1920–1930. Collectie Museum Rotterdam, via Wikimedia Commons · CC BY-SA 3.0.

De katoenen pit zoog petroleum uit het reservoir op. Met een draaiknop werd de vlam hoger of lager gezet.

Een rijdende brandstoffenwinkel

De melkboer bracht melk en de bakker brood. De petroleumboer leverde iets wat minstens zo onmisbaar was: energie voor lamp, fornuis en kachel.

Olieboer, olieman of petroleumventer

Met een handkar, hondenkar, paard-en-wagen en later soms een kleine vrachtauto trok hij langs zijn vaste klanten. Op de wagen stonden vaten of grote blikken met petroleum. De naam petroleumboer was vertrouwd, maar met een boerderij had het beroep weinig te maken. Ook de benamingen olieman, olieboer en petroleumventer kwamen voor.

Sommige petroleumboeren werkten zelfstandig. Andere reden voor een oliemaatschappij of plaatselijke brandstoffenhandel. Vaak verkochten ze daarnaast kolen, briketten en smeerolie, en later ook flessengas.

Met het blik naar buiten

De venter kondigde zijn komst soms aan met een bel, roep of claxon. Bewoners kwamen met hun petroleumkan naar buiten of hadden die alvast bij de deur gezet. De verkoper tapte de gewenste hoeveelheid af en rekende meestal direct af.

Brandstof werd niet altijd voor maanden tegelijk ingeslagen. Een klant kocht een paar liter, afhankelijk van wat die week nodig was en hoeveel geld er beschikbaar was. Vierliterblikken waren lange tijd gebruikelijk. Na de Tweede Wereldoorlog verschenen ook stevige, afsluitbare jerrycans die geallieerde legers hadden achtergelaten.

Een geur die bleef hangen

Een paar gemorste druppels waren genoeg om handen, kleding, hout en vloeren langdurig naar petroleum te laten ruiken. Bij sommige petroleumventers rook zelfs het hele erf naar olie.

Van petroleumlamp tot oliestel

Het gebruik van aardolie in Nederland begon in 1862, toen het eerste vat uit de Verenigde Staten in Rotterdam arriveerde. Waarschijnlijk bevatte het kerosine voor verlichting. De petroleumlamp bood veel gezinnen een betaalbaar alternatief voor kaarsen en oudere olielampen.

Toen elektriciteit zich uitbreidde, verloor petroleum geleidelijk zijn rol als lichtbron. Voor koken en verwarmen bleef de brandstof nog lang belangrijk. Het petroleumstel, ook wel oliestel genoemd, stond in talloze keukens en bijkeukens.

In het reservoir hing een katoenen pit die de petroleum opzoog. Door de pit hoger of lager te draaien, werd de vlam geregeld. Het stel was bijzonder geschikt voor soep, pap, hachee en draadjesvlees: gerechten die urenlang zachtjes mochten sudderen. Ook water voor koffie, thee, de afwas of de wasketel kon erop worden verwarmd.

Niet zonder nadelen

Een petroleumstel vroeg geduld. De vlam gaf minder directe hitte dan een modern gasfornuis en moest goed worden afgesteld. Stond de pit te hoog of was hij vervuild, dan ging het toestel walmen en konden de pannen zwart worden.

Ook petroleumkachels waren populair. Ze boden warmte in kamers zonder gasaansluiting, maar oude modellen waren niet altijd veilig. Omvallen, lekkage en gebruik in een slecht geventileerde ruimte konden gevaar opleveren.

Van vat tot aardgasleiding

De petroleumboer in vier momenten

  1. Het eerste vat Amerikaanse aardolie komt aan in Rotterdam, vermoedelijk voor verlichting.

  2. Petroleumlampen en oliestellen zijn in veel huishoudens vertrouwde gebruiksvoorwerpen.

  3. De petroleumventer brengt nog volop kook- en verwarmingsbrandstof aan huis.

  4. Elektriciteit, flessengas en vooral aardgas maken zijn vaste ronde overbodig.

Een pan op het petroleumstel

Een vrouw roert in 1950 in een pan op een petroleumstel
Koken op petroleum, 1950. Foto: Daan Noske/Anefo, Nationaal Archief, via Wikimedia Commons · CC0.

Het oliestel was ideaal voor langzaam koken, maar kon bij een verkeerd afgestelde pit flink walmen.

Waarom de petroleumboer verdween

De energievoorziening veranderde van iets tastbaars in een blik naar iets onzichtbaars uit een leiding of stopcontact.

Zwaar en niet ongevaarlijk werk

Volle blikken en kannen waren zwaar. De venter moest ze telkens van de wagen tillen, vullen en soms naar de deur dragen. Op het platteland legde hij lange routes af over modderige of onverharde wegen.

Bovendien werkte hij voortdurend met een brandbare vloeistof. Opslag en vervoer moesten zorgvuldig gebeuren, hoewel de veiligheidsvoorzieningen eenvoudiger waren dan tegenwoordig. Een lekkend vat betekende niet alleen verlies van voorraad, maar kon de hele wagen met petroleum doordrenken.

Een vertrouwd gezicht

Net als andere venters aan de deur kende de petroleumboer zijn klanten. Hij wist waar een oudere bewoner hulp nodig had, waar pas een kind was geboren en wie de rekening liever een week later betaalde. Zijn komst bracht nieuws en zorgde voor een kort praatje.

Niet overal speelde hij dezelfde rol. In steden waren elektriciteit en stadsgas vaak eerder beschikbaar. Op het platteland en in verspreid liggende buurtschappen bleef petroleum langer nodig. Ook het inkomen maakte verschil: een nieuw fornuis of een andere kachel was een flinke uitgave, terwijl een oud petroleumstel bleef werken zolang de pit kon worden vervangen.

Stad

Elektriciteit en stadsgas boden vaak al eerder een alternatief.

Platteland

Afgelegen huishoudens bleven langer afhankelijk van petroleum.

Slochteren verandert Nederland

De ontdekking van het grote gasveld bij Slochteren in 1959 veranderde de Nederlandse huishouding ingrijpend. Vanaf de jaren zestig werd het land in hoog tempo op aardgas aangesloten. Gasfornuizen en centrale verwarming namen de plaats in van oliestellen, kolenkachels en losse petroleumkachels.

Dat gebeurde niet van de ene op de andere dag. Sommige gezinnen bleven hun oliestel nog jaren gebruiken, bijvoorbeeld voor vlees dat lang moest sudderen. Ook in schuurtjes, volkstuinen en vakantiehuisjes bleef petroleum van pas komen. Maar de grote, vaste klantenkring viel weg.

Een ander beroep — of stoppen

Veel petroleumboeren pasten hun bedrijf aan. Ze gingen flessengas, huisbrandolie, kolen of benzine verkopen. Soms groeide hun handel uit tot een modern brandstoffenbedrijf of benzinestation. Anderen stopten toen de wekelijkse ronde niet langer genoeg opleverde.

Tegen het einde van de jaren zestig was de petroleumboer in de meeste straten verdwenen. Dat de foto bovenaan juist uit 1968 komt, maakt hem bijzonder: Jos Louwen stond toen met zijn rode Esso-kar al bijna aan het einde van een tijdperk.

De energie kwam naar je toe

Nu stroomt energie ongemerkt door kabels en leidingen ons huis binnen. In de tijd van de petroleumboer was ze zichtbaar en tastbaar. De voorraad zat in een blik dat je moest dragen, in een pit die je schoonmaakte en in een vlam die zorgvuldig werd afgesteld.

De petroleumboer bezorgde niet zomaar een product. Hij bracht licht, warmte en een warme maaltijd tot aan de voordeur.

Ook aan de deur

De melkboer bracht geen brandstof, maar wel iedere ochtend verse zuivel naar de straat.

Lees over de melkboer