De bediende kwam naar de auto
Bij het tankstation stapte je niet vanzelfsprekend uit. Je reed naast de pomp, opende het raam en wachtte tot iemand naar je toe kwam.
Benzine uit een blik
De eerste automobilisten kochten brandstof nog in blikken bij drogisterijen, garages en petroleumhandelaren. Met een trechter werd de benzine in de tank gegoten. Naarmate er meer auto’s kwamen, verschenen langs de straat pompen waarmee brandstof rechtstreeks uit een ondergrondse tank kon worden opgehaald.
Vroege pompen hadden niet altijd een teller zoals we die nu kennen. Bij zogenoemde zichtpompen werd de benzine eerst in een glazen reservoir boven in de pomp gebracht. De klant kon zien hoeveel liter klaarstond; daarna liep de brandstof via de slang naar de auto.
De eerste Nederlandse straatpomp
In 1920 werd bij Hotel Pabst in Zeist een van de eerste Nederlandse openbare straatpompen geplaatst. Pompen stonden aanvankelijk bij garages, hotels, cafés en dorpssmeden. In de jaren twintig en dertig kwamen er langs drukke wegen speciaal ingerichte verkooppunten bij.
De bediening hoorde bij die nieuwe voorziening. De pomp was technisch niet altijd eenvoudig, betaling gebeurde contant en de klant hoefde niet zelf met brandstof te werken. De pompbediende vormde de schakel tussen automobilist, machine en kas.
Zo ging dat
- 1Naast de pomp stoppen
De chauffeur zette de auto zo neer dat de slang de vulopening kon bereiken.
- 2Soort en bedrag noemen
‘Tien gulden normaal’, ‘twintig liter super’ of eenvoudigweg: ‘Volgooien.’
- 3De bediende tankte
Hij of zij zette de teller op nul, opende de tankdop en hield de vulpistoolslang vast.
- 4Contant afrekenen
Geld en wisselgeld gingen vaak door het geopende raam. Soms hoorde daar een bon of spaarzegel bij.
Meer dan alleen benzine
Goede service betekende meer dan de tank vullen. Terwijl de liters doorliepen, haalde de bediende een trekker over de voorruit. Op verzoek ging de motorkap open voor een controle van olie en koelwater. Ook bandenspanning, verlichting of een verdachte lekkage konden worden bekeken.
Dat korte onderhoudsmoment was waardevol. Auto’s vroegen vaker aandacht en veel bestuurders wisten niet precies wat er onder de motorkap gebeurde. Een ervaren pompbediende hoorde een onregelmatig motorgeluid of zag een zachte band soms eerder dan de eigenaar.
Brandstofsoort en bedrag goed onthouden.
Voorruit schoon en zicht vrij.
Olie en koelwater controleren.
Spanning meten en zo nodig bijvullen.
Een opvallend uniform
Een overall, stofjas of jas in de kleuren van Shell, Esso, Caltex of BP maakte duidelijk wie er bediende. Een pet of platte muts hoorde daar vaak bij. Het uniform moest netjes ogen, maar het werk zelf was vuil en zwaar: slangen slepen, oliepeilen, banden vullen en de hele dag buiten staan.
Onder een luifel was er enige beschutting, maar wind, regen en winterkou bleven voelbaar. Daar kwamen benzinedampen, uitlaatgas en het risico van brand bij. Tot in de jaren tachtig bevatte autobenzine bovendien lood; de gezondheidsrisico’s daarvan kregen vroeger veel minder aandacht.