Onderweg

De
pompbediende

De automobilist draaide het raampje open, noemde het gewenste bedrag en bleef achter het stuur zitten. De pompbediende vulde de tank, waste de voorruit en keek zo nodig ook naar olie, water en banden.

Lees het verhaal
Een pompbediende in wit uniform tankt een auto bij een Caltex-benzinepomp in Amsterdam in 1947
Vrouwelijke pompbediende bij garage Tabak aan de Nieuwezijds Voorburgwal, 1947. Foto: Ben van Meerendonk/AHF, collectie IISG, via Wikimedia Commons · CC BY-SA 2.0.

‘Volgooien, alstublieft’

Een vrouwelijke pompbediende tankt de bestelauto van dagblad Trouw terwijl een man bij het portier wacht
De bestelauto van dagblad Trouw wordt volgetankt, Amsterdam 1947. Foto: Ben van Meerendonk/AHF, collectie IISG, via Wikimedia Commons · CC BY-SA 2.0.

Tanken was geen handeling die de klant zelf uitvoerde, maar een kleine persoonlijke dienstverlening.

De bediende kwam naar de auto

Bij het tankstation stapte je niet vanzelfsprekend uit. Je reed naast de pomp, opende het raam en wachtte tot iemand naar je toe kwam.

Benzine uit een blik

De eerste automobilisten kochten brandstof nog in blikken bij drogisterijen, garages en petroleumhandelaren. Met een trechter werd de benzine in de tank gegoten. Naarmate er meer auto’s kwamen, verschenen langs de straat pompen waarmee brandstof rechtstreeks uit een ondergrondse tank kon worden opgehaald.

Vroege pompen hadden niet altijd een teller zoals we die nu kennen. Bij zogenoemde zichtpompen werd de benzine eerst in een glazen reservoir boven in de pomp gebracht. De klant kon zien hoeveel liter klaarstond; daarna liep de brandstof via de slang naar de auto.

De eerste Nederlandse straatpomp

In 1920 werd bij Hotel Pabst in Zeist een van de eerste Nederlandse openbare straatpompen geplaatst. Pompen stonden aanvankelijk bij garages, hotels, cafés en dorpssmeden. In de jaren twintig en dertig kwamen er langs drukke wegen speciaal ingerichte verkooppunten bij.

De bediening hoorde bij die nieuwe voorziening. De pomp was technisch niet altijd eenvoudig, betaling gebeurde contant en de klant hoefde niet zelf met brandstof te werken. De pompbediende vormde de schakel tussen automobilist, machine en kas.

Zo ging dat

  1. 1
    Naast de pomp stoppen

    De chauffeur zette de auto zo neer dat de slang de vulopening kon bereiken.

  2. 2
    Soort en bedrag noemen

    ‘Tien gulden normaal’, ‘twintig liter super’ of eenvoudigweg: ‘Volgooien.’

  3. 3
    De bediende tankte

    Hij of zij zette de teller op nul, opende de tankdop en hield de vulpistoolslang vast.

  4. 4
    Contant afrekenen

    Geld en wisselgeld gingen vaak door het geopende raam. Soms hoorde daar een bon of spaarzegel bij.

Meer dan alleen benzine

Goede service betekende meer dan de tank vullen. Terwijl de liters doorliepen, haalde de bediende een trekker over de voorruit. Op verzoek ging de motorkap open voor een controle van olie en koelwater. Ook bandenspanning, verlichting of een verdachte lekkage konden worden bekeken.

Dat korte onderhoudsmoment was waardevol. Auto’s vroegen vaker aandacht en veel bestuurders wisten niet precies wat er onder de motorkap gebeurde. Een ervaren pompbediende hoorde een onregelmatig motorgeluid of zag een zachte band soms eerder dan de eigenaar.

01Tanken

Brandstofsoort en bedrag goed onthouden.

02Ruiten

Voorruit schoon en zicht vrij.

03Onder de kap

Olie en koelwater controleren.

04Banden

Spanning meten en zo nodig bijvullen.

Een opvallend uniform

Een overall, stofjas of jas in de kleuren van Shell, Esso, Caltex of BP maakte duidelijk wie er bediende. Een pet of platte muts hoorde daar vaak bij. Het uniform moest netjes ogen, maar het werk zelf was vuil en zwaar: slangen slepen, oliepeilen, banden vullen en de hele dag buiten staan.

Onder een luifel was er enige beschutting, maar wind, regen en winterkou bleven voelbaar. Daar kwamen benzinedampen, uitlaatgas en het risico van brand bij. Tot in de jaren tachtig bevatte autobenzine bovendien lood; de gezondheidsrisico’s daarvan kregen vroeger veel minder aandacht.

Van blik naar betaalpas

Tanken in vier momenten

  1. Benzine wordt vaak in blikken gekocht en met een trechter in de tank gegoten.

  2. Bij Hotel Pabst in Zeist verschijnt een vroege Nederlandse openbare straatpomp.

  3. In Nederland wordt geëxperimenteerd met een pomp waar automobilisten zelf tanken.

  4. Zelfbediening wordt algemeen; de bediende verhuist steeds vaker naar de kassa.

Een mens achter de pomp

Een lachende pompbediende houdt in 1973 een vulpistool en een oliebol vast bij een Shell-pomp
Pompbediende met oliebol, 28 december 1973. Foto: Rob Mieremet/Anefo, Nationaal Archief, via Wikimedia Commons · CC0.

Een vrolijk portret uit 1973, juist in de periode waarin zelfbediening snel gewoner werd.

De automobilist neemt het over

Een handeling die jarenlang vakwerk en service was geweest, werd stap voor stap de verantwoordelijkheid van de klant.

Het station als ontmoetingsplaats

Een buurtpomp was niet alleen een plek om brandstof te kopen. De bediende kende vaste klanten, wist welke auto bij wie hoorde en maakte tijd voor een praatje. Wie de weg kwijt was, vroeg er om aanwijzingen of kocht een wegenkaart. In het kleine kantoor lagen motorolie, bougies, lampjes en soms snoep of sigaretten.

Voor de automobilist duurde de stop maar enkele minuten. Toch was er telkens persoonlijk contact: een groet, een vraag over de motor of een opmerking over het weer. Dat maakte het tankstation tot een herkenbaar punt in de buurt.

Zelfbediening begint voorzichtig

In 1962 werd in Nederland een proef gehouden met zelfbediening. De omslag kwam pas echt in de jaren zeventig. Pompen werden eenvoudiger en veiliger in gebruik, automatische afslag beperkte overstromen en personeelskosten gingen zwaarder tellen. De automobilist raakte gewend aan de slang, de teller en de tankdop.

De pompbediende verdween niet in één keer. Sommige stations hielden volledige bediening, andere boden een keuze of lieten personeel bijspringen. Op veel plekken verschoof het werk naar binnen: de klant tankte buiten en noemde binnen het pompnummer bij de kassier.

Toen

De bediende tankte, controleerde en rekende bij de auto af.

Nu

De klant tankt zelf en betaalt aan de kassa, automaat of met een app.

Van servicepunt naar winkel

Terwijl de bediening aan de pomp verdween, groeide de winkel. Broodjes, koffie, tijdschriften en een autowasstraat leverden nieuwe inkomsten op. De persoonlijke service rond de auto maakte plaats voor snelheid en gemak rond de reiziger.

Het beroep is in Nederland zeldzaam geworden, maar niet helemaal verdwenen. Er bestaan nog bemande stations die hulp bieden en in verschillende andere landen is bediening nog gebruikelijk of zelfs voorgeschreven.

Een korte stop met menselijk contact

Zelf tanken voelt nu zo vanzelfsprekend dat de oude werkwijze bijna plechtig lijkt. Raam open, bedrag noemen, wachten en betalen. De pompbediende liet zien dat het tankstation ooit niet vooral een winkel was, maar een dienstverlenend bedrijf rondom de auto.

‘Volgooien, meneer?’ was meer dan een vraag naar liters. Het was het begin van een paar minuten aandacht voor auto én bestuurder.

Nog meer onderweg

Ook vóór navigatie-apps moest een automobilist zelf zijn weg zien te vinden.

Lees over de papieren wegenkaart