De strippenkaart
Je stapte in met een kaart vol lege vakjes. Hoeveel ervan werden afgestempeld, hing af van het aantal zones dat je reis doorkruiste.
Waarom er zones waren
Nederland was verdeeld in openbaarvervoerzones. Voor een rit betaalde je het aantal zones plus één basisstrip. Reisde je bijvoorbeeld door twee zones, dan liet je drie strippen afstempelen. De chauffeur, conducteur of stempelautomaat zette een afdruk op de laatste strip die voor die rit gold.
Zo ging dat
- 1De route bepalen
Op een zonekaart zocht je uit hoeveel zones je onderweg passeerde.
- 2De kaart vouwen
Je vouwde de strippenkaart zo dat de juiste lege strip bovenaan kwam.
- 3Laten stempelen
Bij de bestuurder of conducteur zei je je bestemming. Waar zelfbediening gold, gebruikte je de automaat.
- 4Binnen de tijd overstappen
De tijd op de stempel bepaalde hoe lang je met dezelfde afstempeling verder mocht reizen.
Eén kaart voor bijna heel Nederland
Voor 1980 hadden tientallen vervoerders hun eigen kaartjes en tarieven. De nationale strippenkaart bracht daar een herkenbaar systeem voor bus, tram en metro voor in de plaats. Er waren onder meer kaarten met 15 en 45 strippen. De kaart voor kortingstarief had een andere kleur.
Een bijna volle kaart in je jaszak. Een stempel die nét over twee vakjes viel. Of bij instappen ontdekken dat er nog maar één strip over was.
Wat kwam ervoor in de plaats?
De OV-chipkaart nam het tellen en stempelen over. In- en uitchecken werd de nieuwe handeling. Op 3 november 2011 verdween de strippenkaart definitief als geldig landelijk vervoerbewijs.

