De draaischijftelefoon
Je nam de hoorn op, wachtte op de kiestoon en draaide ieder cijfer afzonderlijk. Een fout bij het laatste cijfer betekende: ophangen en opnieuw beginnen.
Zo koos je een nummer
Je stak een vinger in het gat bij het eerste cijfer en draaide de schijf met de klok mee tot aan de metalen aanslag. Daarna liet je los. Terwijl de schijf terugliep, stuurde het toestel een reeks stroompulsjes naar de telefooncentrale. Die pulsen vertelden welk cijfer je had gekozen.
Zo ging dat
- 1De hoorn opnemen
Een constante kiestoon liet horen dat de lijn vrij was en je kon beginnen.
- 2Cijfer voor cijfer draaien
Voor een nul maakte de schijf bijna een hele ronde. Lange nummers kostten dus tijd.
- 3Luisteren naar de tonen
De overgaande toon betekende wachten. Een korte, steeds herhaalde toon betekende: in gesprek.
- 4De hoorn terugleggen
Daarmee werd de verbinding verbroken en kwam de lijn weer vrij.
De telefoon hoorde bij het huis
Veel gezinnen hadden één toestel, vaak in de gang of woonkamer. Iedereen kon horen dat er gebeld werd — en soms ook meeluisteren. Een tweede toestel op de slaapkamer was al luxe. Telefoonnummers kende je uit je hoofd of zocht je op in een adresboekje en de dikke telefoongids.
De krul in het snoer, het briefje met belangrijke nummers naast het toestel en de zware bel die door het hele huis klonk.
Wat kwam ervoor in de plaats?
Vanaf de jaren tachtig werden druktoetstoestellen steeds gewoner. Daarmee koos je sneller en kreeg je toegang tot nieuwe telefoondiensten. Draadloze huistelefoons en later mobiele telefoons maakten bellen uiteindelijk los van die ene vaste plek.







